Het Grote Flitserboek



Voordat het nieuwe boek van Scott Kelby verschijnt, geven we elke week een tip weg uit Het Grote Flitserboek.

tip1afbTip 1: Wat doe je als je flitser geen ingebouwde draadloze radiogestuurde flitsbediening heeft?  

Als je een oudere flitser hebt of als je een instapmodel hebt aangeschaft van een grote camerafabrikant, heeft deze waarschijnlijk geen ingebouwde draadloze radiogestuurde flitsbediening. In plaats daarvan maakt deze dan als draadloze communicatiemethode waarschijnlijk gebruik van de nogal onbetrouwbare, optische ‘zichtlijn’-techniek (meestal met infrarood licht). Als dat het geval is, kun je gewoon een losse draadloze radiogestuurde flitsbediening van een ander merk aanschaffen, die draadloos je flitsers laat afgaan. Daarnaast kun je daarmee, en dat is bijna net zo belangrijk, vanaf je camera de helderheid instellen. Het maakt van je onbetrouwbare infrarood zichtlijn flitser een volledig controleerbare draadloze flitser die altijd werkt. 

Phottix maakt bijvoorbeeld een echte radiogestuurde trigger/controller, de Laso. Je schuift je oude flitser (of je nieuwe zonder radio-aansturing) op de flitsschoen van de ontvanger, waarna je de zender van de Phottix Laso kunt gebruiken om draadloos je Nikon- of Canon flitser te bedienen (de helderheid aanpassen of flitsers in- of uitschakelen). PocketWizard maakt ook een draadloze zender-/ ontvangerserie, de Flex, waarmee je je flitser draadloos kunt aansturen, maar om vanaf de camera de helderheid in te stellen en de flitsers in of uit te schakelen heb je ook nog hun AC3 Zonecontroller nodig. Verder heb je nog YN-622N i-TTL Wireless Flash Transceiver &TX Controller Kit van Yongnuo (voor ongeveer 100 euro), die bestaat uit een zender/bediening die op de flitsschoen van je camera gaat en een ontvanger die onder de flitser bevestigd dient te worden. Er zijn ook nog andere radiogestuurde flitsbedieningen te krijgen, maar controleer goed of ze geschikt zijn voor jouw specifieke merk flitser.



tip1afbTip 2: Wanneer op halve kracht te fel is

Je weet hoe dat gaat in het leven: op kwart vermogen is het te donker, maar op halve kracht te fel. Jammer dat er geen instellingen tussen zitten, toch? Maar die zijn er wel.Tussen 1/4 en 1/2 vind je een onderverdeling in 1/3 stappen (op de meeste flitsers in ieder geval). Je kunt je flitser instellen op 1/4 vermogen en het vermogen met +1/3 verhogen(dat betekent dat je op 1/4 vermogen zit plus 1/3 stap op weg naar 1/2 vermogen). Dit houdt in, dat er twee vermogensinstellingen tussen 1/4 en 1/2 zijn (en ook tussen alle lagere vermogensinstellingen). Laten we bijvoorbeeld eens aannemen dat je op 1/4 zit:

  1. (1)  Verhoog het vermogen met één klik om +1/3 meer toete voegen (op dit punt zit je op 1/3 in de richting vanhalf vermogen, zoals je linksboven kunt zien).

  2. (2)  Verhoog het vermogen met nogmaals een klik om +1/3 meervermogen toe te voegen (op dit punt zit je op 2/3 in de richtingvan half vermogen, zoals je hierboven in het midden ziet).

  3. (3)  De volgende klik brengt je op het volle 1/2 ver-mogen (hierboven rechts).

Inconsistentiewaarschuwing: zodra je boven 1/2 vermogen gaat, zitten er maar tweekliks tussen 1/2 en het volledige vermogen (er is op de meeste itsers geen 3/4 vermo-gen , je gaat van 1/2 vermogen naar +1/3, dan +2/3 en, boem, je zit op het volle vermo-gen (1/1). Vreemd, ik weet het).

Op deze manier kun je het flitsvermogen dus naar wens afregelen. 



tip1afbTip 3: Heb je een lichtmeter nodig?

Een lichtmeter meet gewoon het licht dat van je flitser afkomt en vertelt jou op welk diafragma jij voor een juiste belichting je camera moet instellen. Laten we een snelvraag-en-antwoordrondje doen:

V. Scott, heb jij een lichtmeter?
A. Ja. Ik heb er zelfs twee.

V. Gebruik je ze?
A. Nee, nooit.

V. Waarom niet?
A. Twee redenen:
(1) Ik heb een beeldschermpje achterop mijn camera dat me laat zien hoe de belichting eruit ziet. Ik maak een testopname. Als het licht te fel is, draai ik het een beetje terug. Als ik het te donker vindt, schroef ik het een beetje op. Meestal heb ik aan twee of drie testopnamen genoeg om de gewenste instelling te krijgen.
(2) Over het algemeen houd ik niet zo vaneen perfecte belichting. Ik houd ervan om óf ongeveer een stop onder óf zeg maar tweestops over te belichten. Ik vind een perfecte belichting dus ultiem saai. Daarnaast weet ik nooit waar ik de witte bol op moet richten.

Is het niet de bedoeling om die op de flitser te richten?
A. O ja, dat is waar. Je richt ’m op de lichtbron. Het is zo lang geleden dat ik mijn lichtmeter heb gebruikt dat ik dat ben vergeten. Bedankt.

V. Geen probleem
A. Dat is geen vraag.

V. Weet ik.

Voor het geval je het je afvraagt, een lichtmeter werkt als volgt: wanneer je een portret maakt, plaats je de lichtmeter net onder de kin van het onderwerp en richt je de kleine witte bol (dome) op de lichtmeter in de richting van de flitser (sommige mensen beweren dat je deze juist op de camera moet richten, maar het is gemakkelijker om twee mensen te vinden die het eens zijn over de Amerikaanse wapenwet dan twee fotografen die het eens zijn over waarop je de dome moet richten). Maar goed, richt die stomme dome ergens op, laat een vriend (of assistent) een testflits maken en dan zie je op het scherm een waarde verschijnen: f/8 of f/11 enzovoort. Loop vervolgens rustig naar je camera, stel je diafragma in op de waarde die de lichtmeter aangeeft en daar heb je je saaie, maar juist belichte flitsbelichting.




tip1afbTip 4: Met flits zachte vage achtergronden krijgen: gebruik high-speed sync

Het geheim achter het krijgen van een onscherpe achtergrond me flitsen buitenshuis is om je sluitertijd zodanig te verhogen dat je kunt fotograferen met een zo ver mogelijk geopend diafragma, zoals f/2.8 of zelfs f/1.8 (in combinatie met een mooie zoomlens, zoals een 120mm of een 200mm). Het zorgt voor een zachte, onscherpe achtergrond. Het probleem is dat we op een heldere, zonnige dag een diafragma van f/11 of f/16 moeten gebruiken om de juiste belichting te krijgen. Daardoor wordt de hele achtergrond scherp en dat is voor portretten op locatie op zijn minst niet zo geweldig.

De oplossing? High-speed sync, waardoor je de snelste sluitertijd kunt gebruiken die je maar kunt wensen (in plaats van dat je beperkt wordt tot maximaal 1/250). Nu kun je een echt grote diafragmaopening, zoals f/2.8 gebruiken. Waarom staat deze niet standaard aan? Omdat het inschakelen van high-speed sync door je batterijen vreet als een bever door een katoenplant (en dat, mensen, is een veel te weinig gebruikte metafoor tegenwoordig. #jammer).

 High-speed sync (je schakelt het in via het flitsmenu) vreet vermogen en dat vreet weer batterijen. We schakelen het dus alleen in wanneer we het nodig hebben (en wanneer we extra batterijen bij de hand hebben). Maar je kunt nu, wanneer je je flits gebruikt, je sluitertijd opschroeven tot 1/1000, 1/2500, eigenlijk tot wat je nodig hebt om de gewenste grote diafragma-openingen en daarmee de zachte, onscherpe achtergronden te krijgen. Er kleven nog twee nadelen aan het gebruik van high- speed sync: (1) je verliest ongeveer een volle stop vermogen van je flitser en
(2) het licht reikt lang niet zo ver als normaal (high-speed sync is eigenlijk niet één lichtflits, maar een supersnelle reeks licht flitsen achter elkaar).

Daarom gebruiken sommige professionals om meer licht en afstand te creëren een bundel van meerdere flitsers die vanuit dezelfde positie tegelijkertijd afgaan (zie pagina 143). High-speed sync is dus geweldig wanneer je het nodig hebt, maar het heeft ook zo zijn nadelen, net als alles in het leven (nou ja, behalve pizza dan. Pizzas hebben geen nadelen. Ze zijn waarschijnlijk uitgevonden door eenhoorns).


tip1afbTip 5: Waarop moet je je sluitertijd instellen (en waarom)?

Stel je sluitertijd in op 1/125 seconde. Oké, maar waarom 1/125? Omdat dat voor de meeste camera’s een goede, veilige sluitertijd is om te gebruiken en die ervoor zorgt dat je sluitertijd en je flitser synchroon (in sync) blijven. Je drukt op de ontspanknop en dan gaan zowel je sluiter als je flitser op precies het goede moment af. Wat als ze niet meer synchroon lopen? Als je sluitertijd te hoog wordt (boven 1/200 seconde bij Canon, 1/250 seconde bij Nikon en bij Sony, afhankelijk van de camera 1/160, 1/200 of 1/250 seconde, daarom is 1/125 seconde perfect), begin je aan de onderkant van je foto een zwart verloop waar te nemen. Hoe verder je boven de maximale ‘synchronisatiesluitertijd’ komt hoe groter dat verloop wordt. Maar dat kun je dus helemaal voorkomen door gewoon te doen wat ik heb gezegd en 1/125 als je sluiter- tijd te gebruiken. Er komt een moment (en daar lees je zo meer over) dat je dat zou willen veranderen, maar meestal zul je dan de sluitertijd willen verlagen en dat is prima. Maar wanneer je boven de 1/200 seconde gaat worden dingen onvoorspelbaar, dus daarom raad ik 1/125 seconde aan. Ik doe mijn best om niet wijsneuzig te klinken en te beginnen over hoe de ‘gordijnen’ van je sluiter werken en wat hun relatie is tot het brandpuntvlak en alles. In plaats daarvan hoef je alleen maar te weten dat:

(a) je wilt dat je camera en itser perfect synchroon (in sync) blijven,
(b) als je de sluitertijd op 1/125 seconde instelt, je je nooit hoeft druk te maken over of je camera en itser synchroon (in sync) zijn en
(c) als je een verloop op je foto’s ziet verschijnen, je even moet controleren of je toch niet per ongeluk een snellere sluitertijd hebt ingesteld, ‘omdat je dat waarschijnlijk hebt gedaan’ (ik heb het zelf vaak genoeg gedaan). Stel in dat geval de sluitertijd weer in op 1/125 seconde.